De coach speelt een cruciale rol bij het bereiken van topprestaties. Hoe hoger het niveau van de sport en de sporter, des te belangrijker de rol van de coach wordt.
Maar ook op andere gebieden is een belangrijke rol weggelegd voor de leermeester, de instructeur, de mentor, de pedagoog of de onderwijzer. De functie van de moderne coach is die van “prestatiemanagerâ€.
Als prestatiemanager probeert hij het allerbeste uit zijn sporter of team te halen. Vaak maakt de coach deel uit van een begeleidingsteam rondom de sporter of het team, samen met de arts, de manager en de fysiotherapeut.
Het aandeel van de coach in de prestatie is altijd een hachelijke zaak. Als de sporter goed presteert slaan zowel de sporter als de coach zichzelf op de borst vanwege het bereikte resultaat, maar als de sporter niet goed presteert wordt het falen aan de andere partij toegeschreven. Er zijn coaches die beweren dat zij de sporter “gemaakt†hebben en dus een heel groot aandeel hebben in de prestatie van de sporter, misschien wel 100%.
Er zijn gematigde coaches die zeggen dat een prestatie tot stand komt op basis van een 50/50% verhouding met de sporter, dus ze voelen zich voor 50% verantwoordelijk.
Ik hou het op 1-2% van de prestatie, maar in topsport kan deze 1-2% verschrikkelijk veel uitmaken; in het bijzonder waar het de meetbare takken van sport betreft, betekent 1-2% het verschil tussen goud en zilver, tussen wel of geen medaille, of tussen de finale bereiken of net niet! Immers het talent, de techniek, de trainingsarbeid, de motivatie, het tactische inzicht enz., hebben natuurlijk alle finalisten wel, anders hadden ze de finale niet eens gehaald. Het verschil is gelegen in de details van de totale voorbereiding. Als iemand optimaal is getraind en goed voorbereid is, gaat geen zee hem te hoog.
Maar als degene die moet presteren niet adequaat getraind en voorbereid is, dan is een kleine tegenslag, een achterstand, een ogenblik van onbedachtzaamheid, al voldoende om te verliezen.
Het mentale aspect, het vertrouwen dat de coach de sporter meegeeft op het moment dat het echt moet gebeuren, is van essentieel belang. Vertrouwen in zichzelf en vertrouwen in de voorbereiding en daarmee in de coach zijn van cruciaal belang.
Elke trainer heeft zijn eigen manier van optreden: zo heb je natuurlijk zeer autoritaire trainers en democratische trainers, gedreven en minder gedreven trainers, creatieve en conservatieve trainers. Ook hier kan men denkers, praters en doeners onderscheiden.
De trainer heeft een belangrijke functie als motivator en hij moet minstens even gemotiveerd zijn als zijn pupillen. Hij moet beschikken over de benodigde expertise en ervaring.
Een van de belangrijkste kenmerken van (top)trainers is dat ze altijd op zoek zijn naar nieuwe wegen om zichzelf te verbeteren. Wie dat niet doet kan geen (top)trainer zijn, of heeft een werkveld waar gebrek is aan concurrentie en het mogelijk maakt om met verouderde concepten en ideeën toch nog successen te boeken. Dat is natuurlijk wat anders dan voortdurend de nieuwste trends en trucs te kopiëren en elk jaar het oude concept weer totaal overboord te gooien. Verbetering kan tot stand komen door gedachtewisseling met collega’s uit de andere werkvelden, bezoeken van congressen, symposia en cursussen. Ook het bestuderen van vakliteratuur kan een belangrijke bron van informatie zijn.
Het valt op dat de gemiddelde trainer, daar waar het sport betreft, in het algemeen maar matig geïnformeerd is op zijn vakgebied. Of men weet alles al, hetgeen dan vaak niet blijkt uit de prestaties van de pupillen, of men probeert gebrek aan kennis te camoufleren door kritiek op collega’s te hebben; â€Hij is niet technisch, hij is niet tactisch, hij is niet praktisch, hij doet het met doping, hij heeft alleen maar talenten, enz. enz.â€.
Het bezoeken van congressen en symposia vindt men (typisch Hollands) te duur en altijd net gepland op verjaardagen of andere aangelegenheden. zowel in geld als in tijd. Vaak neemt een trainer gewoonweg de tijd niet zichzelf te verbeteren, maar ontvangt graag de nieuwste informatie gratis en voorgekauwd op een presenteerblaadje. De trainers nemen zichzelf als vakman niet serieus en worden dus ook door vakbroeders niet serieus genomen.
Een van de gevaarlijkste fenomenen is de trainer die zelf heeft uitgeblonken op zijn gebied en die deze ervaring als enige basis gebruikt om anderen beter te laten presteren.
Walton vat, na bestudering van een aantal topsportcoaches in de VS, tien karakteristieken van top(sport)coaches samen. Topcoaches zouden de volgende eigenschappen en ideeën moeten hebben:
- Toegewijd zijn aan de individuele integriteit, waarden en persoonlijke groei.
- Doordenkers zijn die zichzelf zien als opvoeders in ruimere zin, niet slechts als prestatietrainers.
- Goed zijn opgeleid in de ruime zin van het woord; ze moeten waarde hechten aan en streven naar voortdurende verbetering.
- Ook op lange termijn toegewijd zijn aan hun pupil.
- Bereid zijn te experimenteren met nieuwe ideeën.
- Waarde hechten aan hun relatie met hun pupillen, of die nu winnen of verliezen.
- Ze moeten de menselijke natuur begrijpen en waarderen.
- Ze houden zielsveel van hun sport en hun werk.
- Ze zijn eerlijk en sterk van karakter.
- Het zijn mensen en daarom niet perfect.